Het Mariabeeld en de
RK kerk Onze Lieve Vrouw Ten Hemelopneming.
Utrechtseweg 153, Renkum.
Hans Braakhuis
laatste update: juli 2017

home

Onze Lieve vrouw van Renkum
bron
In Renkum is er sprake van een Maria verering.
Dat leverde bedevaarten, kerken en kapellen op. Zoals de stichtingsoorkonde van het O.L. Vrouweklooster verhaalt was de kapel van O.L. Vrouw Cappelle in 1405 in het bezit van een 'heligen gloriosen heilichdom' en zouden daar tevens vele 'miracule ende teykene' zijn geschied. In de Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom van Van Heussen, die in zijn beschrijving van Renkum gebruik maakte van een oud handschrift, wordt gesproken over 'een stuck van het heylich Kruys ende van de doorne Crone Christi Jesu [...] het welcke aldaer gesonden was van Carolus Conijnck van Vranckrijck [...] Ao 1401, 18 julii'. Tot nu toe zijn geen andere bewijzen van deze schenking van Koning Karel VI gevonden. Vele wonderen en tekens zouden volgens dezelfde informatiebron 'geschiet sijn door die gebenedijde Moeder Godts Maria, wiens beeldt aldaer miraculeuselick gekomen was in het jaar 1380'. Uit hertogelijke rekeningen vanaf circa 1330 blijkt dat de kapel reeds toen aan 'domina nostra sancta Maria' was toegewijd. De herkomst van het beeld van O.L. Vrouw Cappelle is tot op heden niet achterhaald. Met uitzondering van een door Van Hasselt in zijn Cronyk van Arnhem vermelde strafbedevaart naar Renkum, die op 11 april 1440 met een tweetal andere bedevaarten als boete voor een misdaad werd opgelegd aan Hendrick Cock en Johan van Heelsum, zijn er geen directe bewijzen dat de kapel of het latere klooster veelvuldig door bedevaartgangers werden bezocht. De genoemde bronnen, alsmede de vestiging door Willem van Gulik van vicariŽn in de kapel en de oprichting van een O.L. Vrouwegilde omstreeks 1400 wijzen echter toch in de richting van een speciale devotie. Het miraculeuze Mariabeeld was in het bezit van de zusters van het Maria klooster. Ten gevolge van de onrust na de komst van de reformatie bleken de zusters reeds in 1574 het klooster te hebben verlaten en hielden zij zich op in het naburige Arnhem. Op 18 juni 1596 droeg Ada van Cortenbach, voor de schepenen van Wageningen, ten behoeve van de conventualinnen van Redinchem 'een huijs binnen de Stadt Wageningen van der hoeger straete bis tot die nijwerstrate streckende' over, dat, zoals de akte vermeldt, reeds enige tijd door de nonnen bewoond werd. Het bevond zich tussen de Eerste en Tweede Kloostersteeg aan de huidige Herenstraat. Het ligt voor de hand dat de Renkumse nonnen bij hun gedwongen verhuizing naar Wageningen het 14e-eeuwse Mariabeeld van O.L. Vrouw Cappelle zullen hebben meegenomen en het een plaats hebben gegeven in een door hen ingerichte gemeenschappelijke gebedsruimte of huiskapel. In 1635 bleken de laatste twee bejaarde conventualinnen Wageningen te hebben verlaten en werd het beheer van het kloostergoed geheel aan het Veluwekwartier overgedragen. Anna Cruijss, voormalig procuratrix, stierf op 13 januari 1635 in het Brandesklooster te Utrecht. De zieke Catharina Vogelsanck stierf voor 1 december 1638 in het St. Agnesklooster te Arnhem. Het beeld van O.L. Vrouw Cappelle werd mogelijkerwijs door een van beiden uit Wageningen meegenomen. Het beeld blijkt volgens een mededeling van Jacobus de la Torre uit 1656, dus zo'n twintig jaar na de laatste mededelingen uit Wageningen, naar Utrecht te zijn overgebracht. Tevens verhaalt De la Torre dat er naar het vroegere klooster van Renkum nog steeds, zoals vroeger, vele pelgrims komen. De overbrenging naar Utrecht wordt in 1719 door Van Heussen bevestigd.

 H.C.J. Erkens: Het 14e eeuwse Madonnabeeld kwam na veel omzwervingen via Wageningen, terecht hij de paters predikheren in de Walsteeg in Utrecht.
"Tijdens de avondvergadering van het St. Bernulphusgilde te Utrecht op 11 mei 1898 toonde G. Brom voor het eerst weer het beeld. Een week later liet Brom voor de Utrechtse notaris jhr. W.E. Bosch van Oud Amelisweerd, een akte (d.d. 19 mei 1898) opmaken, waarin de 81-jarige Christoffel Verheem, bewoner van het Utrechtse tehuis Johannnes de Deo, verklaarde dat hij in 1850, toen de oude Walsteegkerk werd afgebroken, van de toenmalige pastoor Petrus van Ewijk een antiek eikenhouten Mariabeeld 'met het Kindje Jezus op den arm, hoog 63 c.M. en met verschillende ouderwetsche kleuren geverfd', dat op de zolder van de pastorie bewaard werd, ten geschenke had gekregen. Verheem verhaalt verder dat het beeld ten tijde van zijn jeugd en die van zijn moeder in de oude kerk aan de Evangeliezijde van het altaar geplaatst was, omkleed met een sluier, die telkens werd aangepast aan de kleur van het altaar. Nadat Verheem het had laten witverven, bewaarde hij het, totdat hij in januari 1897 zijn intrek nam in het tehuis. Hij schonk het toen aan een nicht, Maria Koot, gehuwd Van Blarkom, te Utrecht, die het aan Brom verkocht voor ? 25,-. In 1905, na een expositie te Utrecht ('Kunst aan het Volk'), werd het beeldje via een tussenpersoon door de heer J.B. van Stolk te Huis ter Heide van Brom gekocht. Bij de protestant Van Stolk, een kenner en verzamelaar van middeleeuwse kunst, kreeg het beeld een ereplaats in de huiskamer. In de jaren twintig begon de Arnhemmer H. Herkuleijns, benedictijner oblaat, zich te interesseren voor de geschiedenis van O.L. Vrouw van Renkum en bracht hij verschillende bezoeken aan de familie Van Stolk. Aanvankelijk gelukte het Herkuleijns niet pastoor Wolters, die ervan overtuigd was dat het om een lelijk en waardeloos beeldje ging, te winnen voor het plan om het beeld naar Renkum terug te halen. In maart 1928 hoorde hij dat mevrouw Van Stolk bereid was het beeld aan Renkum te verkopen voor de prijs waarvoor haar in 1927 overleden man het indertijd van G. Brom had gekocht, namelijk Hfl.1600,-. Hiervan waren Hfl. 600,- bestemd voor de Haagse antiquair Hagezaete, die de oude polychromie weer had hersteld. Zondag 25 maart 1928 deelde pastoor Wolters het heugelijke nieuws aan de parochie mee. Op zondag 6 mei 1928 vond de 'glorieuze intocht' plaats, gadegeslagen door zeer velen. Renkum was na meer dan drieŽneenhalve eeuw weer een bedevaartplaats.

In het parochiearchief bevindt zich het 'Gulden Boek van O.L. Vrouw van Renkum', dat indertijd door Cornelia Elisabeth Bosman aan de kerk werd geschonken. Dit register vermeldt vele gebeurtenissen en processies die sinds de terugkeer van O.L. Vrouw in Renkum plaatsvonden. Tot de belangrijkste en in omvang grootste processies behoorden na 1928 die van de eigen parochie, op de eerste zondag van mei (tot 1966), en de zogenaamde Betuwse Bloesemprocessies, op de tweede zondag van die maand (tot 1968). Zeer bekend ook was de jaarlijkse bedevaart van de Amsterdamse Rijwielclub 'Sub tutela Matris', die tot 1963 omstreeks het midden van juni Renkum bezocht. Behalve op de fiets kwam men zelfs op de motor (2 juni 1939, R.K. Motorrijders Noord-Holland) en met de boot (9 juli 1950, Geitenkamp Arnhem) naar O.L. Vrouw. Mannen- en vrouwencongregaties, jeugdorganisaties, plaatselijke afdelingen van de H. Familie, werkliedenbonden (KAB, St. Joseph etc.), scholen, priesterstudenten, parochies, drankbestrijders- en werklozenverenigingen bezochten voor de oorlog met vaste regelmaat het dorp.

Tijdens de oorlog is de toeloop sterk verminderd, doch na de bevrijding trokken de vaak kleurrijke groepen pelgrims weer door het processiepark rondom de kerk. Bij de evacuatie van Renkum in 1944 werd het beeld op 1 oktober door pastoor Wolters en kapelaan Stockmann in veiligheid gebracht bij de familie Wolf aan de Stationsstraat in Ede. Kort daarna werd het veilig opgeborgen in het KrŲller-MŁllermuseum te Otterlo. Op zondag 19 mei 1946 werd O.L. Vrouw wederom plechtig ingehaald. Hoogtepunten na de oorlog waren de jaren 1950 (heilig jaar), 1953 (zilveren jubileum terugkeer) en 1954 (Mariajaar) geweest. Tijdens de zomermaanden van dit laatste jaar bezochten circa 10.000 mensen O.L. Vrouw, onder wie de kweekschool Insula Dei uit Arnhem, het dekenaat Wageningen, de Betuwse bloesemprocessie, de parochies Ede, Oosterbeek, etc., de wielrijders uit Amsterdam en de R.K. Vrouwengemeenschap van het bisdom (ca. 2500 vrouwen). Hierna werd duidelijk een teruggang merkbaar in het aantal groepen en bezoekers. In het jaar van het veertigjarig jubileum van de terugkeer van het genadebeeld, 1968, liet voor het eerst de kleurrijke Betuwse bloesemprocessie, waaraan een twintigtal parochies uit de Over- en Nederbetuwe deelnamen, verstek gaan. Wel werd er in dat jaar in het parochiehuis nog een tentoonstelling georganiseerd onder het motto 'veertig jaar Maria van Renkum'. In dit jubileumjaar bezocht slechts een groep uit Kevelaer nog de kerk in Renkum. Alleen de ziekenbedevaart, die voor het eerst op 2 juli 1956 werd gehouden, heeft alle andere overleefd en vindt nog elk jaar plaats. In 1996 was dat op de laatste dinsdag van mei. Daarnaast is het opvallend dat er nog steeds sprake is van een zeer regelmatige toeloop van individuele bedevaartgangers.
Bron: link

Het Mariabeeld is op miraculeuze wijze naar Renkum gekomen. De herkomst is niet bekend. Jaques Tersteeg vermoedt een Franse herkomst van het beeld. De nonnen van het Renkumse klooster (Augustinessen van de Moderne Devotie) namen bij hun vertrek uit Renkum, het Mariabeeld mee naar Wageningen en het beeld begon daarna aan een langdurige zwerftocht.





Mariabeeld Renkum
KERKELIJK LEVEN. ONZE LIEVE VROUW VAN RENKUM   

HET MIRACULEUZE BEELD KOMT TE RENKUM TERUG
WAT ER ZOOAL MEE GEBEURDE
EEN ONTROERENDE MADONNABEELTENIS

Herhaaldelijk zijn In den laatsten tijd berichten opgedoken over een miraculeus Mariabeeld, dat in de Middeleeuwen te Renkum is vereerd, en. thans zou berusten in de verzameling van de familie Van Stolk te Huis ter Heide. De geschiedenis van het beeld is niet onbekend, maar er ontbraken enkele schakels in het historisch relaas, waarin sommigen aanleiding vonden, te betwijfelen, of werkelijk het stuk sculptuur van de familie Van Stolk dezelfde Middeleeuwsche madonna was, waarheen men ln de Middeleeuwen ter bedevaart ging. Pater J. A. F. Kronenburg C.ss.R., maakt in zijn bekende boek „Maria's Heerlijkheid in Nederland", een geschiedkundige schets van de verering der H. Maagd in ons vaderland tot op onze dagen, van historie en beeld gewag. Aan den heer Hub. Herkuleyns Jr. te Arnhem komt de eer toe, in den laatsten tijd door verdere onderzoekingen weer bijzonder de aandacht op dit beeld te hebben gevestigd. En het gelukkige resultaat van zijn bemoeiingen is, dat nu ontwijfelbaar de authenticiteit van het beeld is bewezen en bovendien (een. uiterst gelukkige tijding voor katholiek Nederland, dat; zich op ieder gebied aan de gevolgen van de Hervorming gaat ontworstelen), dat het in ere zal hersteld worden op de plaats van herkomst. De heer Herkuleyns heeft zich altijd bijzonder voor de kerkelijke geschiedenis van Arnhem geÔnteresseerd. In verband daarmee kwam hij tot de studie van de geschiedenis der oude Renkumsche devotie. Het gevolg, in religieuzen zin, is reeds geweest, dat het vorig jaar weer een begin van bedevaart naar Renkum is ontstaan. In den kring van een apostolische club te Arnhem, waarvan hij deel uitmaakt, heeft hij van zijn bevindingen mededeling gedaan. Toen besloot men de oude Remkumsche bedevaart in ere te herstellen en onder leiding van een der pater van het Missiehuis aan den Velperweg togen hij en zijn vrienden naar Renkum. Dit jaar zullen al vele anderen meetrekken, en vooral zal de belangstelling toenemen als bekend zal worden, dat het voorwerp van devotie zelve in Renkum gaat weerkeren. Aan de Zuidzijde van het dorp Renkum, aldus deelt de heer Herkuleyns mee in een klein geschrift, dat hij heeft samengesteld, tussen de fabriek van de firma Van Gelder en het hotel van den heer Campman, vindt men een flinke weide die thans nog den naam draagt van ,, kloosterweide". Op deze weide moet eertijds de Mariakapel en het klooster der Zusters Augustinessen gestaan hebben. Tegenwoordig toehoort, wat het rechtergedeelte betreft, gezien van af den straatweg, aan de firma Van Gelder, het linkerdeel aan den heer Huberts. Bij nauwkeurige beschouwing zal men kunnen merken dat dit laatste gedeelte oneffen is, het eerstgenoemde tamelijk gelijk. Een oude tuinman heeft indertijd den heer Campman verteld dat de fundamenten van het klooster nog ongeveer een meter onder den grond te vinden zijn. Jhr. mr. F. J. C. Schimmelpenninck van den Keyenburg zegt in zijn „Bijzonderheden omtrent de vroegste geschiedenis van de gemeente Renkum en Oosterbeek": „De weide, waar het klooster stond, heet nog „kloosterweide" en onder den grond moeten de funderingen, voor een deel tenminste, nog te vinden zijn". Keiler schrijft „en daaronder ene bouwvallige arbeiderswoning, die nog het langst bestaan heeft, doch ten laatste door de hand des slopers geheel is verdwenen. Alleen de naam van kloosterweide doet aan het voormalig godshuis denken". Van der Aa meldt in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden 1846: ,,Ter plaatse, waar het klooster gestaan heeft, ziet men thans weiland". Dezelfde schrijver meldt in een volgend deel van het woordenboek 1847: „Vroeger had men hier ene kapel, die echter reeds in het midden der vorige eeuw in een woning veranderd was". De woning schijnt dus later afgebroken te zijn en de fundamenten die nu waarschijnlijk nog in den grond zitten, heeft men maar laten rusten, zoals dat vroeger veel voorkwam, omdat deze te dik en te sterk waren en het teveel moeite kostte om ze te verwijderen. Met zekerheid kunnen wij dus vaststellen dat, worden de fundamenten nog eens blootgelegd, we ook de plek weten waar de kapel gestaan heeft, die eens tot woning diende van het miraculeuze beeld van Onze Lieve Vrouw en waar vele gelovigen hun vertrouwen door teekenen en mirakelen beloond zagen. ,,Er is zoo vťťl te doen!" hoort men vaak zeggen, met het oog op de katholieke actie. Maar zou het geen grote verheugenis zijn, als men de oude plaats ook weer tot het middelpunt van de vernieuwde devotie kon maken? Er is een tedere vroomheid in de geschiedenis van onze Lieve Vrouw van Renkum, dis onze bijzondere liefde verdient en naar volledig herstel doet verlangen. Het zijn juist deze dingen die de katholieke cultuur in ons vaderland op de stevigste wijze kunnen bevestigen. De feiten der geschiedenis komen in het kort neer op het volgende: In 1380 is de devotie voor het beeld ontstaan. Een oud handschrift, dat, volgens Acquoy en van Rijn, blijkbaar uit het klooster te Renkum afkomstig is, zegt dat het beeld „aldaar miraculeuselijck gekomen was''. Nijhoff tekent als volksoverlevering aan, dat het beeld „op eene wonderbare wijze uit den hemel is nedergedaald". In korten tijd nam da devotie zeer toe en in 1397 werd door het hertogelijk huis van Gelre aan ,,onser liever sueter Vrouwen van Rendichem" een kostbaren mantel geschonken. In den zomer van 1401 was hertog Willem te Parijs te gast van koning Karel VI en verbond zich. met hem, om als „ledig man'' den koning te dienen met het zwaard, vooral tegen Engeland. De koning schonk hem daarbij „een stuck van het heylich kruys, ende van de doorne croone Jesu Christi onsers salichmaakers". Zijn opvolger Reinoud IV stichtte in 1405 te Rendichem het nonnenklooster der Augustinessen. Tal van goederen werden aan het klooster geschonken en de kapel werd een der zeer vermaarde beevaartsoorden. Tijdens de Reformatie is dat alles verdwenen, vernietigd en genaast. De nonnen zijn gevlucht en hebben vermoedelijk het beeld, evenals de relieken van Hertog Willem, meegenomen. Zij hadden ook een klooster te Utrecht, het Jeruzalem-klooster, en daarheen hebben zij zeer waarschijnlijk de wijk genomen. Toen zij ook te Utrecht verjaagd werden, hebben zij (en hierin is thans het nodige licht gebracht) de schat aan de Paters Dominicanen toevertrouwd. Deze hadden een statie aan de Walsteeg, een uithoek van de Mariaplaats, waar ook thans hun kerk en pastorie nog is gevestigd. In 1653 verzekert De la Torre, dat het beeld in Utrecht wordt bewaard en in 1719 wordt dit bevestigd door van Heussen. Een eeuw zwijgt de geschiedenis, maar dan schrijft een ooggetuige, waarschijnlijk de pastoor van Beesd, F. J. van Geloo, als kanttekening op zijn exemplaar van Van Heussens vertaald werk: „Dit Mirakeleus Beeld met alle echte bewijzen berust in de Walsteegkerk bij de Zeereerw. Predikheeren. Thans de heer L. van den Heuvel". Pater Lambertus van den Heuvel was daar pastoor van 1793 tot 1805. Ook te Utrecht was er devotie voor het beeld, maar in de tweede helft der vorige eeuw is deze uitgestorven; om begrijpelijke redenen, zoals zal blijken. In 1849, toen de oude Walsteegkerk van de Dominicanen te Utrecht werd afgebroken, om plaats te maken voor een nieuw kerkgebouw, heeft de tuinman van den Pastoor, den Zeereerwaarden heer P. W. L. van Ewijk, die in 1847 pastoor der kerk was geworden en in 1848 het benodigde terrein voor het nieuwe bedehuis kocht, het miraculeuze beeld van den parochieherder ten geschenke gekregen. Het stond in de oude Walsteegkerk aan den Evangeliekant van het altaar, tot aan de voeten toe met een neerhangenden sluier omkleed, welke sluier van kleur pleegde te worden afgewisseld naar gelang van de kleur van het altaar. Zowel Maria als het Kind droegen een zilveren kroon en Maria had een zilveren staf in haar rechter hand. Voor het beeld werden gewoonlijk kaarsen gebrand en door de geloovigen werd er dikwijls gebeden. Het is daar gekend door den tuinman van den pastoor, Christoffel Verheem, en door zijn moeder reeds, die het er o.a. zag bij haar eerste H. Communie en bij haar huwelijk. Verheem kreeg van den pastoor opdracht de oude beelden, die zich na de afbraak op den zolder van de pastorie bevonden, te rangschikken en die welke niets waard bleken te zijn, stuk te hakken. Hij deed aldus met de beelden van den Heiligen Dominicus, David en Engelen. Voor het Mariabeeld maakte de pastoor echter uitdrukkelijk een uitzondering. Later kreeg hij het ten, geschenke, waarbij de pastoor zei: „Bewaar het met eerbied, want ťr zijn mirakelen aan geschied". Het was een antiek eikenhouten Mariabeeld met het Kindje Jesus staande op haren knie, hoog drie en zestig centimeter en „met ouderwetsche kleuren geverfd". Verheem liet het beeld door een schilder wit verven. Hij heeft het trouw bewaard tot Januari 1897, toen hij zijn intrek nam in het Gesticht van St. Joan de Deo. Hij schonk het toen weg aan zijn nicht Maria Koot, gehuwd met Jan van Blarcom, stucadoor, wonende te Utrecht aan den eersten Daalschen Dijk. Maria Koot had ook groote vereering voor het beeld en zij maakte ieder jaar in de Meimaand een kransje van papieren rozen rond het beeld, zooals zij vroeger bij oom Verheem al had gedaan, bij wien zij als wees in huis was. Maria Koot heeft het tenslotte met toestemming van haar man verkocht aan Dr. Gisbert Brom, die het als een verrassing liet zien in de vergadering van het St. Bernulphusgilde op 11 Mei 1898 te Utrecht. Dr. Brom had de oorspronkelijke polychromie doen herstellen. Het staat vast, dat er tusschen Dr. Gisb. Brom en den toenmaligen pastoor van Renkum over den verkoop van het beeld is onderhandeld, opdat het weer in het oorpsronkelijk genadeoord zou terugkeeren. Die onderhandelingen zijn niet geslaagd. De heer Herkuleyns meent achterhaald te hebben, dat omstreeks 1890 de parochie in finantiŽele moeilijkheden verkeerde en zich den aankoop niet kon permitteeren. Dat er echter toen reeds met Dr. Brom onderhandeld zou zijn, klopt niet met de mededeeling van de notarieele akte, dat hij pas in 1898 eigenaar van het beeld werd. Een andere lezing is, dat men te Renkum twijfelde aan de authenticiteit en geen prijs op het beeld stelde. De heer Van Stolk, wonend te Huis ter Heide, zag het later op een te Utrecht gehouden tentoonstelling „Kunst aan het Volk" en verlangde dit fraaie stuk middeleeuwsche sculptuur te bezitten. Door bemiddeling van een derde heeft bij het van Dr. Brom gekocht. Ontroerend is het te hooren, dat de familie Van Stolk, ofschoon protestant, groote devotie voor het beeld had. De heer Van Stolk werd er door geÔnspireerd tot het schrijven van Maria-gedichten en steeds stonden er versche bloemen bij. En nu zal het beeld, dat zooveel avonturen heeft meegemaakt, dat door de Hervorming uit zijn oorspronkelijke huisvesting werd verjaagd, maar later getuige bleef van zooveel teedere, katholieke aanhankelijkheid, vooral van de zijde van eenvoudige lieden, in Renkum terugkeeren. De heer Van Stolk heeft er vroeger op gezinspeeld. Hij is nu overleden, maar mevrouw de weduwe Van Stolk—Van Stolk bleek te bewegen het beeld voor denzelfden prijs dien het opbracht toen haar echtgenoot het in bezit kreeg, wederom af te staan aan de familie Brom te Utrecht. De edelsmid Eloy Brom, conservator van het aartsbisschoppelijk museum, heeft gezorgd dat het voor dien prijs thans kon worden aangekocht door de Renkumsche parochie. Gedurende de maand April zal het worden geŽxploiteerd in het Aartsbisschoppelijk Museum en op Zondag 6 Mei zal het miraculeuze beeld door katholiek Renkum met eerbewijs en praal worden ingehaald. De Lieve Vrouw van Renkum zal weer zijn in de omgeving, waar de Gelderschman uit de middeleeuwen haar vereerde. Alle twijfel aan de echtheid van het beeld is thans opgeheven. De heer Herkuleyns heeft n.1. een schrijven ontvangen van pater C. M. Lambermond O.P. over de vondst van een papier in het archief der Dominicanen te Zwolle, een papier dat betrekking heeft op den inventaris van de Utrechtsche statie. In dat schrijven staat het volgende vermeld: Van pater Albertus Wijnen (missionaris op onze statie te Utrecht, + 18 maji 1666) bestaan er twee lijsten van goederen. In de eene lijst wordt het volgende gemeld: ,,Een silvere Rosenkrans tot cieraet van onse lieve vrouwebeelt met een remonstrantieken ende ander cieraet van vader Obhoet . „Een silvere plaet met twee engelkens om light te branden voor onse lieve vrou." „Een remonstrantie vergulit torens geweys, schoon geborduurde figuren tot een ornament van het mirakeleus beelt van Onse lieve Vrouwe met 12 roeken, 2 silvere croonen, 2 vergulden."
Dat het genoemde miraculeus Onze -Lieve-Vrouwebeeld het vermaarde beeld van Renkum is, wordt nog bevestigd door het volgende. In 1401 schonk Karel VI, Koning van Frankrijk, aan Willem, Hertog van Gelre, een partikel van de Doornekroon onzes Heeren voor het heiligdom te Renkum. In de beide boven aangehaalde lijsten lezen wij: ,,Een kleyn remonstrantie van de H. Doorne". „Een remonstranken daer den dooren van ons Heer in staat...  ƒ 1.50. Deze reliek schijnt dies tegelijk met het beeld, in veiligheid te zijn gebracht op de statie der Predikheeren." Het fragment van de Doornenkroon, ook dat van het H. Kruis, zijn niet meer bij de Dominicanen te Utrecht. Weggeraakt, als zo vele relieken in de vroegere tijden der Hervorming meegenomen door geestelijken zonder dat beschrijving plaats had? Het zal heel moeilijk zijn te achterhalen. Maar het Renkumsche beeld is behouden en herkend gebleven, het zal opnieuw de menigte stichten.
* * *
Wij zagen het beeld ten huize van den heer Eloy Brom.
Een werkelijk fraai stuk middeleeuwsche houtsculptuur. Het is vroeg -gotisch werk en moet inderdaad in het midden van de veertiende eeuw ontstaan zijn. Wellicht in een dier nederrijnsche werkplaatsen die onder den machtigen Keulschen invloed hebben gewerkt. Denkt men bij den eersten aanblik, vooral van den kop, reeds aan de typisch Rijnsche expressies als die van de geschilderde madonna's van het Clarenaltar en met de WickenblŁte, ook bij nader beschouwen van het beeld doen zich kenmerken voor die wel sterk naar den Keulschen kant wijzen. Fransche invloeden, al hebben ze wellicht middellijk en niet onmiddellijk gewerkt, invloeden van Parijs en Troyes komen in deze gansche kunst tot uiting, maar ze tasten het regionale niet aan: het is een kunst van en voor het milde gebied waardoor vader Rijn zijn wateren stuurt. Dat de stijl midden-veertiende eeuwsoh moet zijn, bewijst de behandeling van het ge. waad en zijn plooienval. Het plastisch zich. voegen van het gewaad naar het lichaam, zooals de 13e eeuwsche beelden dat kennen, is geweken, veeleer is gestreefd naar een abstracter geordende oplossing, naar een bewuster spel van elkander in evenwicht houdende lijnen. De horizontale vouwen breken bewust de beweging van de verticale. En bovendien is er het streven, om boven- en onderkleed in artistieke eenheid te doen samengaan. Het is de aanzet tot een vrijer, zelfstandiger beeldhouwkunst. Minder dan bij andere Rijnsche madonna's uit dien tijd is bet kind met de Moeder tot een eenheid geworden. Het is een vreemd, rechtopstaand, onwerkelijk wezentje (het linkerhandje is waarschijnlijk later aangezet). De zittende moedermaagd echter is een sterke, gezonde figuur. Het gezicht fraai omlijst door den hoofddoek, heeft de zachte, lieflijke uitdrukking die voor dezen tijd typeerend is en nog niet de persoonlijke uitdrukking die in het eind van de eeuw begint door te dringen. Zij draagt een soort staf of stengel in de rechter hand, die wellicht vroeger langer is geweest. Tijdelijk heeft men er weleer een zilveren bloemstengel in gestoken, ook droegen Madonna en Kind zilveren kronen, terwijl de familie Van Stolk voorts om Maria's hals een kostbaar, antiek collier heeft gehangen, dat zich bij de oude, matte kleuren (goud de buitenkant van den mantel, de binnenkant groen en het onderkleed bruin-rood) wonderwel aanpast. Zooals het beeld er stond, in al zijn teederen eenvoud en lieflijkheid, tusschen leliŽn, en met 'n olie-lichtje ervoor, maakte het een diepen, ontrůerenden indruk. Een beeld dat het mysterie doet gevoelen, niet alleen door wat wij weten van de geschiedenis, maar ook door zijn nobele kunstwaarde. Zij het velen ten zegen!

Uit: De Maasbode 26-03-1928
links

krantenberichten zijn gevonden met www.delpher.nl
www.mariavanrenkum.nl

www.wikiwand.com/nl/Onze_Lieve_Vrouw_Ten_Hemelopnemingkerk

http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/620